Tentoonstelling OmZien

De Walvisvaardersbuurt is door de jaren heen veranderd. Zat je vroeger nog einde middag met je buren een biertje te drinken op het bankje voor de flat, tegenwoordig moet je je best doen om een ‘goeiedag’ terug te krijgen. Een steekincident heeft de buurt weer in beweging en verbinding gebracht. De Talmabuurt verandert op dit moment sterk, onder andere omdat sommige woningen worden verduurzaamd. Buurtbewoners gaan en komen terug, of er komen nieuwe bewoners. De prachtige Vleugelnootboom vangt de verhalen van toen en nu. En (juist) ook in Mennistenerf en Pennemes wonen Zaankanters met een verhaal over hun leven en het buurtje waar zij opgroeiden, volwassen & ouder werd.

Buurtbewoners blikken terug & kijken om naar elkaar

Om de verbinding tussen bewoners in diverse buurtjes in Zaandam Zuid te versterken, zijn Hanneke van Lindert, Ellen Vlottes & Saskia de Man van de gemeente Zaanstad begonnen met het narratief werken: verhalen en perspectieven delen, samen betekenis geven en ook samen beweging maken.

In Zaandam Zuid doen zij dit in de vorm van portretten van buurtbewoners en hun verhalen over de buurt en het leven zelf. Fotograaf David Beekhuis maakt een portret van de buurtbewoners, terwijl hun verhalen worden opgetekend door team Narratieven. Stadmakers Jacob & Geertje maakten de korte tekstjes bij de foto’s.

In deze tentoonstelling vindt u de portretten en een korte beschrijving van het buurtje van Hennie & Rie, van Lize & Rob, van Nel, Siem, Henk & Jeroen en Ria & Theo. Terwijl de buurtjes veranderen, hebben zij allemaal hun eigen redenen om te blijven. Dit kan een tragische gebeurtenis zijn, het vertrouwd zijn met wat er nog wél is of het standvastig zijn van karakter. En soms is het ook gewoon zoals het is!

Veel plezier met de tentoonstelling!

Het verhaal van Hennie, een Hollandse knul

Ja, daar is het, nummer 14, op de hoek. Trappetje op, aanbellen. De deur gaat open en de keffertjes blijken twee mooie vrolijke hondjes, die tussen de benen van Hennie springen en stuiteren. Hennie: stevige vent, blauw shirt, bretels om een even stevige buik. ‘Kom verder’, zegt hij. Het geeft helemaal niks dat we met z’n drieën zijn, dat past gerust op de enorme bank in de woonkamer. ‘Gezellig’ vindt Rie.

Rie komt achter het tafereel vandaan en gaat gelijk theewater opzetten. We nestelen ons en hoeven geen vraag te stellen. Hennie vertelt…

Hennie en Rie wonen hier nu 40 jaar, samen. Hij is geboren in Wormerveer, is een echte Gladoor (vanwege de oliemolens; red.). In het weekend werkte hij graag op de kermis. Op de kermis in Kaatsheuvel heeft hij Rie gezien. Rie draaide haar brommertje nog eens om, om die knapperd nog eens te zien; het was liefde op het eerste gezicht. De volgende donderdag ging hij gelijk terug en zocht haar op. En in een half jaar is Hennie getrouwd met ‘zijn stuk’.

Zij zijn begonnen in Wormerveer, na zeven jaar hiernaartoe verhuisd en inmiddels 47 jaar getrouwd. Slapen doet hij het liefst thuis, vertrouwt Hennis ons toe. Vroeger verbleef hij natuurlijk wel nachtjes in de caravan, bij de kermis. Maar dat hoeft gelukkig niet meer. En naar de kermis gaan ze ook niet meer. Vroeger was de kermis op de Burcht en een stukje Zuiddijk, met attracties. Nu stelt het niks meer voor. Er staan gewoonweg hekken omheen.

Hennie beschrijft zichzelf, op verzoek: ‘Ik ben een Hollandse knul, nou ja, man. Ik neem geen blad voor de mond en zeg hoe het is, waar het op staat. Ik zal nooit liegen en heb een broertje dood aan liegers en bedriegers. Ben zo eerlijk als de pest.’ Geen haar op ons hoofd twijfelt hieraan. Dat is Hennie.

Op de vraag of zij kinderen hebben, vallen Hennie en Rie even stil. Rie wrijft een traan weg, Hennie neemt voorzichtig het woord. Ja, ze hebben een dochter gehad én hebben een zoon. Zij is op haar 14e, hier in de buurt, aangereden en overleden. De man in kwestie ‘toeterde nog’ zei hij en reed door, over de drempel. Hij heeft straf gehad. Maar als Hennie hem was tegengekomen, dan wist ’ie het wel…

Tot op de dag van vandaag denken ze aan haar, worden ze wel aan haar herinnerd, ergens mee geconfronteerd. Het verdriet gaat nooit over, is er elke dag. Ze wijzen naar de stevige eettafel; haar stoel blijft altijd leeg. We zien de schilderijen van de kinderen op en naast de schoorsteen; grote schilderijen, prachtige jonge portretten, waarvan de kleuren stilaan zachter worden. Nu wonen ze met z’n tweeën, doen ze alles met z’n tweeën. Ze hebben veel steun aan elkaar, hebben het samen beetje bij beetje opgelost.

Hun zoon is een kleine twee jaar jonger dan hun dochter en is, waarschijnlijk ook door de klap van het ongeluk, verslaafd geraakt. De drugsdealer woonde nota bene in de straat. Zijn hersens zijn aangetast door de drugs; hij gedraagt zich als een kind van 14 jaar. Het blijft hun eigen kind, waar ze onvoorwaardelijk van houden.

Hij is ondertussen 43 jaar, verschillende keren afgekickt, weer teruggevallen, maar nu al acht maanden ‘schoon’. Hij woont op een zorgboerderij in Wamel, want in Zaandam heeft hij niks te zoeken; veel te bekend. En hij belt wel 2 tot 3 keer per dag, dat is fijn.

Hennie is altijd bezig

Hennie heeft zijn hele leven hard gewerkt. Hij is slachter geweest in Amsterdam, in de markthallen. Dat was knetterhard werken aan de lopende band; wel 60 dieren per uur kwamen voorbij. Later slachtte hij in Zaandam, een heel beest per keer, op een buddy. Het echte handwerk. Daarna is hij damwandheier geweest, je weet wel voor ondergrondse garages en zo. Hij is hiervoor heel Nederland doorgescheurd. En tenslotte heeft hij gewerkt in een computerwinkel.

Door het werk op de slachterij is zijn rug naar de klote. En daarna was hij te oud. Sinds 16 jaar is hij afgekeurd aan alle kanten: zijn rug uiteraard, maar ook zijn hart. En onlangs is lymfeklierkanker ontdekt. Voorlopig lijkt het rustig; ze houden het in de gaten, 17 februari mag hij weer voor controle. En het lijkt makkelijk te behandelen.

Waar Hennie zijn dagen mee vult? ‘Ha’, buldert hij, ‘ik heb zojuist nog 7 gig aan Nederlandse muziek gedownload’. Zijn computer en twee harde schijven van twee terabyte zijn al helemaal vol. Nu verzamelt hij vooral muziek via de etherpiraten. En niet al te modern he, die muziek. Als het maar even kan, dan organiseert hij een heuse disco, voor de buurt, in de kelder. Met stroboscoop, die net besteld en ontvangen is via de Chinese site Wish. En die uiteraard even luchtig geshowd wordt! Want muziek is gaaf. Hij heeft al een mengpaneel, met boxen.     Als het effe kan gaan ze op lekker hard. Hennie was overigens altijd al gek met muziek. Deep Purple grijs gedraaid op z’n eerste eigen pick-uppie. Zijn moeder heeft eens de stroom uitgedaan, uit pure wanhoop om zoveel herrie.

Al snel begon Hennie te klooien met een klein zendertje vanuit z’n kamertje thuis in Wormerveer. De RVD kwam langs; hij stoorde op de FM frequentie. Ze namen z’n bakkie in beslag. Maar Hennie was niet meer te houden; er kwam een 27 MC bakkie. Na een eerste bereik van zo’n drie meter, verlegde hij dat naar Zaandijk, Amsterdam, Groningen en tot over de grens. Bij mist bereikte hij Engeland, Italië! Hij heeft nog moeten voorkomen in Haarlem; hij kreeg wel 100 gulden boete.

We praten over de jaren zeventig. Zijn naam: Calimero. We schieten in de lach. En kaarten had Hennie natuurlijk ook, naar eigen ontwerp. Want als je een bakkie hebt, dan heb je kaarten. Onze fotograaf raakt dolenthousiast. Nooit veel verder gekomen dan een walkietalkie, maar kaarten heeft hij als een malle verzameld, in van die insteekhoezen.

Domweg gelukkig in de Walvisvaardersbuurt

De stad ontwikkelt zich als een malle, weet Hennie. Hij komt er al lang niet meer, in de stad. Maar ook het buurtje is veranderd. Het is wel een leuke buurt, hoor. Best een sociale buurt, met veel nationaliteiten. Maar vroeger kwam iedereen gewoon meer buiten. ‘Daar is ’ie weer, die lange lul’, riep buurman Dirk dan. Hij is helaas overleden. De meeste mensen van toen zijn overleden, of verhuisd. Zij zijn zo’n beetje de laatste van het oude grut. Sommigen zeggen niet eens meer gedag, toch een kleine moeite.

Maar eerlijk is eerlijk, Hennie komt niet veel meer op straat, stapt wat eerder in de auto. Onlangs was er nog wel politie aan de deur. Rie had haar wasje wat lang buiten op het balkon staan, dus een buurvrouwtje was ongerust geworden!

Hij heeft zich afgelopen weekend nog rot geërgerd aan de teringzooi van z’n eigen buren. Terwijl je gewoon voor donderdag kunt bellen, dan halen ze ’t gratis op. Elders moeten ze schijnbaar betalen voor het afval. Mensen zijn tegenwoordig veel te gemakkelijk geworden, volgens Hennie. ‘Vroeger letten we meer op elkaar’, vertelt hij. Dan was het van: ‘he buurman, kom je een biertje doen op het bankie?’ De speeltuin, nu het Johan Cruijffcourt, was veel gezelliger. Er was nog een zwembadje, beheerd door een bewoner. Met de nodige watergevechten, natuurlijk. De mensen uit de buurt ontmoetten elkaar meer, organiseerden meer, voelden gewoon meer verantwoordelijkheid.

‘Ik ben zelf niet belangrijk voor de buurt’ antwoordt Hennie op een vraag naar zijn rol en betekenis in de Walvisvaardersbuurt. Nou ja, hij heeft zijn best gedaan voor de Burendag, afgelopen jaar. Hij had voor op de stoep wat spul neergelegd. Ze hebben het een ochtendje volgehouden; het was beestenweer. En er waren maar drie buren die meededen. Volgend jaar doet ‘ie weer mee hoor, maar het moet allemaal wel wat eerder georganiseerd en misschien ook kleiner. Hennie heeft ook wel wat computers gerepareerd voor wat mensen in de buurt. Hij heeft honderden computers gebouwd bij 123 in Wormerveer. Indertijd nog met allemaal verschillende kaartjes. Nu zit alles in nieuwe dashboards, waar hij geen weet van heeft. Blij met z’n eigen complete computer van de Aldi.

Het incident

Na ‘het incident’ loopt Hennie nog naar zijn autootje en weer terug; niet veel meer dan dat. Vroeger had ie zoiets van” ‘Laat maar komen’. Maar nu? ‘Je doet niks meer. Ik ben eigenlijk voor niets en niemand bang, maar dit ging zo snel, zo makkelijk.’ Hij maalt, er speelt zich nog steeds een constante film af in zijn hoofd. Misschien belt ze morgen wel weer aan. En hij weet nu dat het niet zo werkt; denken dat je de deur opendoet en dan de dingen overziet en ingrijpt. Het ging allemaal in een fractie van een seconde.

Want zo ging het. Ze zagen de vrouw al zitten, voor het huis. Ze loopt naar boven, belde bij hen aan (in de tussentijd schijnt ze tegen een buurvrouw gezegd te hebben dat ze maar vast 112 moest bellen). Hennie doet open, de vrouw zegt dat ze bij hem naar binnen wil, Hennie weigert haar de toegang en ze haalt naar hem uit met een mes. Het mes belandt in zijn buik. Hennie heeft de helderheid van geest om de deur dicht te doen, zijn vrouw te roepen en daarna 112 te bellen. Hij wordt met de ziekenwagen opgehaald en met vliegende spoed naar het VU ziekenhuis gebracht. De vrouw wordt opgepakt.

Morgen worden ze opnieuw gebeld voor een afspraak voor een gesprek met deze vrouw. Zo’n gesprek hebben ze al een keer eerder afgeslagen, maar ook morgen zal hij er niet op ingaan. Hij wil die vrouw nooit meer zien. Nachten heeft hij er nu al wakker van gelegen. Hennie moet er ook niet aan denken dat Rie open had gedaan (ze was net even naar de wc); de vrouw had haar op borsthoogte gestoken. Liever gaat hij nog een dagje door met downloaden.

Het moet gezegd, iedereen in de buurt heeft wel geholpen na het incident. Met plantje bijvoorbeeld, toen hij uit het ziekenhuis kwam. Met boodschappen, uitnodiging tot gesprekjes op het bankje of even wandelen. Je leert de buurt wel kennen. Mensen uit de buurt groeten Hennie, vragen zelfs: ‘Waar was je?’ Maar er is veel gebeurd in de buurt: een schietpartij bij de snackbar, mensen die zijn overleden en niet zijn opgemerkt.

Hennie is ook een stuk voorzichtiger geworden met alles. En heeft toch ook het gevoel dat de buurt veranderd is; meer andere talen, gewoonten, achtergronden. En daarmee toch iets minder snel en makkelijk contact. En er zitten naar zijn idee veel mensen thuis, ook jonge mensen, met een uitkering. Het was een echte arbeidersbuurt, hij heeft altijd hard gewerkt. Maar goed, als er iets gebeurt, dan is het toch een goed buurtje. En een arbeidersbuurtje blijft het.

Lekker thuis

Liefst zit Hennie thuis, binnen of als het kan lekker op het balkon. Hij kijkt graag naar de vogels, maar ook het voetbal, het spelen en ontmoeten. Of we het hokje en het vogelvoer wel hebben gezien, vraagt Rie? Al dertien jaar komt er een reiger zich melden onder het balkon. Hij krijgt van Hennie vaak een klein beetje vlees. En als Hennie geen vogels of voetbal kijkt, dan spelt hij wel de sites van alle supermarkten: Vomar, Lidl, Dekamarkt, Dirk op aanbiedingen. Hij rijdt met zijn autootje langs alle supermarkten om daar de aanbiedingen te scoren. En komt ook altijd weer met iets anders thuis, wat zijn Rie enorm kan bekoren. Knipoog van Rie.

Bij Hennie en Rie staat de thermostaat standaard op 17, behalve beneden. Want Hennie vertrouwt het niet zo, met de energieprijzen. Hij weet als geen ander dat alle prijzen stijgen, ook de benzineprijzen. Vroeger gingen Rie en hij twee keer per maand naar haar familie in Kaatsheuvel; nu nog maar een keer per twee maanden. Binnenkort wordt Hennie 66 jaar en 10 maanden en krijgt hij AOW. Het wordt puzzelen, want AOW met een klein beetje pensioen gaat minder opleveren dan de WAO uitkering. Hennie heeft zijn hoop gevestigd op de huur- en zorgtoeslag.

De nieuwe huizen langs de flats en de speeltuin vindt hij trouwens erg mooi (maar of ze betaalbaar zijn?). Maar de renovatie van de flats door Parteon is helaas niet al te best geweest: de afloop van de balkons is nog altijd slecht en er is nog steeds schimmelvorming. Maar goed, zo lang Hennie z’n autootje kan rijden en de trap op kan komen, blijft hij hier, in zijn Walvisvaardersbuurt. Blij met zijn huis en met Rie. Overigens is Rie is echt een begrip in de buurt, zo krijgen we te horen. Rie laat drie keer per dag de hondjes uit. En groet, wordt gegroet door alles en iedereen. Gezellig.

Het hart op de tong; een gesprek met Siem

Even zoeken naar het huisnummer, lift pakken naar de vierde. We vallen met de deur in het kleine, maar fijn ingerichte huis; woont en werkt Siem in Mennistenerf? ‘Nou, ik doe dingen hier, ben gewoon vrijwilliger.’

Siem verzorgt de beesten: de kippen en de konijnen. Eenden had hij ook graag gewild; want daar is hij van vroegs af aan vertrouwd mee.

Maar eenden waren niet echt bespreekbaar; stel je voor dat er iemand in de vijver valt.

Nu is er nog nooit iemand verdronken in een plasje water, maar vooruit. Verder doet hij veel klussen in het huis, ook voor de bewoners. En één keer per week brengt hij de maaltijden rond. En als bewoner ziet hij ook wel eens wat gebeuren en dan zit hij er boven op.

Siem heeft 45 jaar in de Bleekerstraat gewoond, met zijn vrouw en hun dochter. Zijn dochter is op zichzelf gaan wonen in de Kramerstraat en heeft twee prachtige knullen, die we kunnen bewonderen op de foto’s aan de muur en op de kast. Met een visueel effect is hijzelf ook te bewonderen met zijn dochter; zij levensgroot linksvoor en hij klein en bescheiden in de rechterhoek van de foto. ‘Ze laat zich de kaas niet van het brood eten!’

Hij was voorzitter van de bewoners-commissie. En dat hebben ze geweten, bij de gemeente. Het enige dat ze wilden in Vissershop was een ‘eigen ruimte’ om te ontmoeten, voor alle bewoners. De ruimte was al grotendeels ingevuld met een fysiotherapeut, een pedicure en meer. Want credo van de gemeente was: iedereen zo lang mogelijk zelfstandig wonen. En hoe kan dat nu beter dan met voorzieningen dichtbij & ruimte voor ontmoeten? In 2013 was het nog groot feest: Vissershop bestond 100 jaar. Toen al werd gesproken over een eigen ruimte voor ontmoeten. En vanaf toen ging het bergafwaarts. Het buurthuis in de Bleekerstraat 45 moest met het faillissement van Welsaen weg. Er kwamen woningen en een wijkteam voor terug. De buurtbewoners moesten maar naar het verre Eksternest. En alle ogen leken slechts gericht op de Zuidhoek.

Niemand kent het buurtje (nog). De wijkmanager toonde geen belangstelling, betrokkenheid. Siem op gesprek bij de wethouder, later nog eens. Want de wegen kent Siem wel en hij is voor niks en niemand bang. Vroeger kwam de bewonerscommissie nog bijeen in De Doorbraak. Maar daar heeft Siem met echt iedereen ruzie gemaakt; er ging veel te veel tijd en aandacht uit naar steeds dezelfde zes mannen met een grote mond. Tot twee jaar terug is hij voorzitter geweest van de bewonerscommissie. Al het geld in de kas is terug gegeven aan de bewoners. Het restant is overgemaakt naar een goed doel. De vereniging slaapt. Kan wakker worden gemaakt, door nieuwe bewoners dan, zeker niet door hem.

Na 50 jaar huwelijk en een flinke dosis mantelzorg is Siem verhuist, eerst via Evian op 4 hoog, naar de Eemnesstraat 2 hoog en vervolgens drie jaar terug naar de Gerhard straat. Nu negen jaar geleden heeft hij, met het nodige geweld, binnen een maand een urgentieverklaring gekregen. Alles heeft hij achtergelaten; huis en haard en ook zijn boot: de Jol. ‘Maar je weet het, he?!’, relativeert hij: ‘Neem een boot en ’t wordt je dood’. Gelukkig was zijn opa al overleden; die heeft het niet meer mee hoeven maken.

Wat hem verdrietig stemt is dat niet of nauwelijks steun is voor huishoudens in buurtjes als Vissershop. Zelf heeft hij geen enkele hulp ervaren vanuit het wijkteam; nog geen dagje vrij van mantelzorg. Nu doet hij verschillend vrijwilligerswerk hier. Hij laat met trots vanaf het balkon de binnentuin, de hokken en ‘zijn knap gelakte schuur’ zien.

Siem is 77 jaar geleden geboren en met recht getogen in Oostzaan. Een echte Oostzaner, oftewel: een doener!

Zijn echte vader kent hij niet en zijn moeder is toen hij vier jaar was getrouwd met een nieuwe man, wat Siem nog wat broertjes en zusjes opleverde. Ze woonden aan de Stationsstraat, maar Siem was vooral op pad met zijn opa, bij wie hij ook zo’n zes jaar heeft gewoond. Ze stroopten wat af, samen, met de Jol. Voor het vaste inkomen had zijn opa zo’n tweeduizend kippen en eenden. Het was ’s ochtends om vijf uur opstaan. ‘Tijd’ riep zijn opa dan alleen maar.

Later is hij nog een tijdje ‘in de kost’ geweest en op zijn 25e is hij met zijn verkering (toen al vier jaar) naar Vissershop gegaan. Dat had ook wat voeten in de aarde. De bezoekjes van Siem aan de sociale dienst, zijn gesprekken met de heer Meijer, leverden niets op. En na een denigrerende opmerking van de toenmalige burgemeester heeft Siem zijn kop op de tafel gedrukt en gehouden en waren zijn kansen in Oostzaan verkeken. Hij heeft het huis aan de Bleekerstraat gekocht. En zijn opa voor bijna een jaar niet gezien.

Siem vertelt een verhaal over zijn jeugd, dat hem gevormd heeft, dat hem maakt zoals hij is. Hij is er mee gepest, in tegenstelling tot zijn jongere broertjes en zusjes. En het heeft hem ook altijd achtervolgd, tot aan een onlangs gestarte (ook afgeronde) cursus videobewerking. Hij kan volstrekt niet tegen onrecht, komt hier altijd tegen in het verweer. Of het nu gaat over jongeren, ouderen, vrouwen. Eigenlijk was hij altijd een verlegen jongen, keek hij op tegen mensen. Maar met vriend Herman Post van de Zuiddijk heeft hij leren praten als een echte straatvechter. En in de bewoners-commissie is het begonnen bij het brieven schrijven aan de wethouders. Het zal 1985, ’86 zijn geweest. En de laatste jaren vertelt hij ook aan kinderen op school over zijn ervaringen met de (impact en naweeën van de) oorlog.

Siem grijpt graag de macht. Zo heeft hij twaalf jaar lang aan de knoppen gezeten, met maat Chris Damen, later met Dirk, van Radio 9. Alles wordt gezegd wat gezegd moet worden. ‘En als je d’r niet tegen kan, dan draai je gewoonweg het knoppie uit’, vindt Siem.

In de kippenslachterij in Oostzaan heeft Siem een goede boterham verdiend. Hij is avondopleidingen gaan doen, waarbij hij onder andere heeft leren lassen en bankwerken en is ‘in de metaal’ terecht gekomen. Daarna is hij docent Werktuigbouw geworden, in Den Helder. Het reizen was voor hem geen probleem: hij werkte in de trein. En het paste hem om ‘anoniem’ te zijn, om geen bekenden tegen te komen in z’n vrije tijd. Tot zijn 59e, toen is ‘ie gestopt. Hij kon niet overweg met de directie en nam het altijd op voor de kinderen. Bijvoorbeeld toen de kosten voor een offshore cursus te hoog opliepen voor sommigen en zijn alternatieve voorstel niet werd geaccepteerd. Maar er waren meer botsingen.

De rode draad in het leven van Siem? Tsja, zijn gevoel voor onrecht versus gevoeligheid voor autoriteit. En zijn hang naar het verenigen rond belangen versus instituties en regels.

En nu is hij hier. Dik tevreden met z’n huisje; hij is toch altijd buiten en onderweg! En de omgeving van Mennisten erf is hem groot genoeg. Hij zorgt voor de kippen en konijnen. En ja, er zijn klachten over de haan, maar dat gezeik neemt hij voor lief. En de kippen mogen niet meer los buiten, maar daar heeft hij een mooi buitenhok voor getimmerd. Mensen worden altijd en opnieuw blij van de beestenboel. Het geeft positieve energie. Een activiteitenbegeleidster nam laatst nog een konijn mee naar een demente oudere, om te aaien. Verder heeft hij geen contacten in de buurt. Met een rondje fietsen, bijvoorbeeld naar de Dekamarkt, komt hij altijd veel bekenden tegen, maar ook in de stad, op de markt. Hij is er veel tijd mee zoet! En Siem is actief op Facebook; helpt graag zielige mensen, door te luisteren. 

Siem vertelt op de valreep dat hij actief is in de cliëntenraad van Mennistenerf. En hij doet het nodige in en voor de Oudheidkamer in Oostzaan. Want daar ligt toch zijn hart…

Een veilige haven aan het Hanenpad

Elke ochtend zit Ria wel even in de deuropening aan de voorkant van hun huis. Met koud weer zoals vandaag maar eventjes, om wat frisse lucht op te snuiven. Maar als het even kan ziet ze wat langer het leven in de buurt aan haar voorbij gaan. Soms ook een zwaai, een groet. Dan draait ze zich in haar rolstoel om en rolt de gezellige, ruime woonkamer in om te beginnen aan een nieuwe dag.

Ria is dan al gewassen door haar man Theo. En straks komt de verpleging, misschien de huishoudelijke hulp, boodschappen worden afgeleverd. Altijd reuring in de ochtend. Wij zijn welkom aan het begin van de middag, aan de keukentafel.

Vroeger was het wel anders, vertelt ze. Alles en iedereen zat op straat, had een praatje. Nu is iedereen toch meer op zichzelf. Het is dat de dochter verderop woont, de kleindochter nog weer een stukje verderop. Maar andere mensen uit de buurt kennen ze eigenlijk niet echt. ‘Nou ja, hebben we d’r ook geen last van’ roept Theo vanuit de woonkamer; hij is op zoek naar een boek met foto’s van de buurt. Het is onvindbaar. De buren aan die kant, wijst Ria, zijn overleden; daar hadden ze goed contact mee. En buurman Rudy waait wel aan; die heeft altijd wel wat te melden over de gemeente. Hij was hun tuinman, maar kreeg het uiteindelijk te druk. Toen het stukje aan de overkant ‘geadopteerd’ kon worden, heeft hij dat – ook voor hun – op zich genomen. Ria doet overigens nog wel wat op Facebook; hier onderhoudt ze contact met andere buurtbewoners.

Ondertussen zijn Ria en Theo al 63 jaar getrouwd! Hij was 17, zij 14 toen ze elkaar ontmoetten. Hij vervoerde al hout met z’n bootje voor de firma, van de oude zeehaven de stad in. Als hij langs haar huis kwam zwaaiden ze. Na een accordeonfeestje bij een vriend van Ria, heeft Theo haar thuisgebracht. ‘Alles zat d’r al op en d’r an’, zegt Theo en glundert nu nog. De ouders gingen niet gelijk overstag: ‘Wat moet je met onze dochter?’. Maar Theo liet zijn timmerkunsten zien en Ria, die wilde wel. Dus uiteindelijk gingen de ouders akkoord. Theo ging in militaire dienst en mocht (of moest?) al snel met verlof, om te trouwen met Ria. Ze zijn hardlopend getrouwd, vertelt Theo. Tegen de ambtenaar van de burgerlijke stand op het stadhuis, bij de sluis, zei hij: ‘Je moet wel doorlullen, anders komt het kind d’r al aan.’ Ria was hoogzwanger. ‘Als je langs haar liep, raakte ze al zwanger’, zegt Theo met een vette knipoog.

Ria en Theo wonen al 50 jaar op deze plek, aan het Hanenpad. Samen zijn ze begonnen op een woonboot op ’t Kalf; hier hebben ze anderhalf jaar gewoond. Vervolgens woonden zij negen jaar in de Vijfhoek, een flat in Zaandam Zuid. Het appartement was in slechte staat; alles piepte en kraakte. De flat bestaat ook al lang niet meer. Zij kochten een oud huisje uit 1850 aan het Hanenpad. Theo heeft er zo’n 25 jaar aan lopen verbouwen; kroop als een mol onder vloer en verbouwde alles tot aan de nok. Toen moeder overleed konden zij van de erfenis een heel nieuw huis laten optrekken, voor een bedrag van € 116.000; hier hoefden zij niet lang over na te denken.

Het huidige huis staat er nu zo’n 21 jaar. Theo en Ria stoeien even over het precieze jaartal; ergens tussen de geboorte van kleindochter Chelsea in 2001 en de aankoop van het nieuwe sloepie in 2003. Tijdens de zeven maanden van de bouw woonden Ria & Theo samen op de sleepboot, verderop in de haven. En nu dan alweer zo lang samen op dit plekkie, in dit huis. Het was zoveel gezelliger toen ze hier kwamen wonen. Iedereen zat buiten voor de deur, iedereen kende elkaar. Theo en Ria waren de jongsten; alles en iedereen woonde door elkaar. En er was nog wat bedrijvigheid. Aan de overkant bijvoorbeeld, waar nu de garageboxen zijn, had je groenteboer Schenk.

Alle winkels in de wijdere omgeving zijn trouwens weg; er viel niet op te boksen tegen de grote ketens. Op het pleintje verderop zaten altijd al de Chinees en de stomerij. Er was eerder een slijterij, een kroegje, maar nu zit er alleen een vloerenwinkel. Vroeger ging Ria nog wel naar de Dekamarkt. Nu laten ze alles brengen en gaat Theo er alleen nog op uit als ze iets vergeten zijn; de Dekamarkt in en zo snel mogelijk d’r weer uit. Ze weten te vertellen dat de Dekamarkt weggaat. En ook slijterij Vonk, waar Theo z’n jenevertjes haalt. Nu een prima plek, met ruimte voor parkeren, straks woningen.

Over jenever gesproken… Theo blijkt de zoon van de kroegbaas van de ‘Damkade’. Zijn vader was een echte jeneverdrinker; hij is dan ook jong overleden, op zijn 68e. Het werken in de stampvolle kroeg, waar nog volop gerookt werd, zal ook niet hebben meegeholpen. Theo is een voorzichtige(r) drinker. De flinke bel whisky die op tafel komt, is een kadootje voor zijn verjaardag, gisteren! Ria drinkt niet of nauwelijks. Zij gaat volgens Theo al zingen na een enkel jeneverbesje. Afijn, zijn opgroeien in en om de kroeg heeft Theo naar de binnenvaart gebracht, de buitenlucht in.

De kinderen zijn tot hun trouwen hier gebleven. De oudste, een dochter, woont nu verderop in de straat. Begonnen aan de overkant, maar nu toch weer ‘aan de sloot’. Zij heeft ook alweer twee getrouwde kinderen, waarvan er eentje dus verderop woont, met hun twee achterkleinkinderen. De jongste van zeven verschijnt even in de achtertuin; duikt de schuur in om hengel en meer op te halen voor het vissen, verderop. De jongste, zoon Ronald, woont in Westzaan. Het huis is dus helemaal ‘aan hun’. Voor Ria een veilige haven. Zij is slecht ter been en heeft aan gewicht gewonnen. Zij komt eigenlijk niet meer ‘buiten’, behalve op hun heerlijke plaatsje achter, aan de sloot dan. Er komen in het seizoen veel bootjes langs; het is vanaf de zo’n 300 jaar oude Hanenpadsluis de entree naar het Oostzanerveld. Vroeger werd er ook veel geschaatst. Lampjes werden opgehangen, muziekinstallatie geïnstalleerd.

De buurvrouw maakte snert. Het was een drukte van jewelste!

We komen van de weeromstuit te spreken over de Zaanse geurtjes. ‘Niks verkeerds aan geurtjes’, vindt Theo. Ria herinnert zich een moment dat zij naar de coöperatie ging, aan het pleintje, en iemand haar vroeg: ‘Stinkt het hier altijd zo?’ Waarop zij zich verbaasd afvroeg: ‘Stinken, hier?’ Theo somt de geuren op die langskwamen, als ze met de boot de Zaan op gingen: koekjesgeur van Verkade, de stijfselfabrieken, met een wat onbestemde geur en dan tot twee keer toe de cacao. ‘Vroeger’, herinnert Theo zich, ‘had je hier firma Exter aan de overkant. Zij maakten van botten bouillon en loosden het afvalwater op de sloot. Dat stonk pas echt! Nu zijn ze weg en zeurt iedereen alleen maar.

Theo werkt zijn hele leven op de vaart. Ria werkte al bij en met hem, als matroos. En buurman Gerrit, nu overleden, is wel 15 jaar meegevaren. Ze hebben allebei geen papieren. Toen in 1975 een vaarbewijs nodig was, was het bewijs al geleverd door het jarenlange varen en de contacten met brug- en sluiswachters. Het was altijd een kleine wereld; de binnenvaart. En ze gingen toentertijd Zaandam ook niet uit. Nu zijn de transporten veelal groter, de bestemmingen verder weg. Theo heeft 27 jaar in loondienst gewerkt, op hout. Toen de firma failliet ging is hij zijn eigen bedrijf begonnen. Zijn eerste boot heeft hij voor 35.000 gulden gekocht. Deze is nog steeds in de vaart en Theo doet soms nog wel wat kleine klusjes, in de buurt.

Zo’n beetje elke zomer gaan Theo & Ria wel met de boot op pad. Al wel 30 jaar, ook met de kinderen. Ze bevaren de randmeren, het IJsselmeer. Ze plannen nooit, maar komen altijd daar waar de kroegen zijn. Ze gaan ook wel voor anker, om lekker te zwemmen, en zoeken elkaar ook wel op voor de gezelligheid. De Waddenzee had gekund met dit bootje, maar is gezien de geulen en getijden geen goed plan. Op de vraag of ze dit van te voren allemaal had kunnen bedenken, verzucht Ria dat ze dit nooit zo had bedacht.

En achteraf gezien misschien ook niet zo had gedaan. Alles (op en rond het water) was nieuw voor haar, een onbekende wereld. Ze noemt zichzelf een echte zeikerd, wat wordt beaamd door Theo, die haar subtiel verwijst naar haar incontinentie.

Toch had Ria het niet anders gewild; het is mooi hoe het leven is gelopen. Echte herinneringen heeft Ria niet; ze raakt de laatste tijd nog wel eens wat kwijt. ‘Weet je nog’, vraagt Theo, ‘dat we een trucje hadden? Hij is altijd goed geweest in het onthouden van gezichten, Ria weet altijd alle namen nog. Samen houden ze de herinneringen levend.

‘De boot’ is er nog, hoor! Een mooie replica van de boot prijkt op de kast en is op doek vastgelegd. Het bedrijf, en de boot, is overgenomen door zoon Ronald. Hij ‘drijft’ de zaak, met verschillende sleepboten, pontons, dekschuiten. Nog steeds heel specifieke grotere transporten over water, maar wel ook naar Duitsland, Antwerpen en verder. Het is momenteel wat stiller aan het waterfront, maar dit is meestal zo rond de Kerst. Onzeker blijft het. Dochterlief is aan wal gebleven en is oppasmoeder. Ook zij heeft varen altijd leuk gevonden, het zit in het bloed. Haar man was schilder; hij is helaas jong overleden.

We blikken nog even samen verder terug. Theo is geboren in Schagen. Zijn vader was als gezegd kroegbaas, maar diens vader, Theo’s opa, zat op de pont over het kanaal in Zaandam. Ria is geboren in één van de spoorhuisjes vlakbij bij de oude Hembrug. Haar opa was brugwachter, dus hadden zij een dienstwoning. Het bedieningsgebouwtje was bovenop de brug, waar zij wel naar toe liep, over de schamele planken heen. Theo herinnert zich nog dat hij van de brug afsprong het water in, van wel 11 meter hoog. We realiseren ons dat hun opa’s elkaar wellicht al gekend hebben en hun geschiedenis verweven is.

In het hier en nu is het lekker rustig, vinden Ria en Theo. Of zij favoriete plekjes hebben? Soms gaan ze naar het van der Laanplantsoen; als de achterkleinkinderen er zijn, kunnen ze daar goed spelen. De Burendag is wat hen betreft niet meer wat het ooit geweest is. Het Cruijffcourt is te ver; het oudste kleinkind heeft geen belangstelling, het jongste is nog te klein om daar alleen heen te gaan. Af en toe gaan ze nog uit varen. En zondags was de traditie om uit lunchen te gaan. Favoriet maar nu failliet was het IJmondrestaurant. Goede tweede het Wapen van Munster in De Rijp. ‘Of Kop van de Haven in IJmuiden’, zegt Theo en soms nog wat goede visrestaurants op. Ria en Theo eten nog elke zaterdag vis. De witvis is nu nog veel te mager, die wordt pas lekker in mei, maar de kabeljauw is oké.

Als gezegd is het huis aan het Hanenpad de veilige haven van Ria; zij komt niet veel meer buitenshuis. Ze houdt enorm van puzzelen, van kruiswoordpuzzels. En Theo uitschelden! Zo komen we te spreken over de karakters van Theo en Ria. De twee beamen dat ze nogal kunnen botsen; beide zijn koppig. ‘Ik laat me het kaas niet van het brood eten’, zegt Ria. Theo weet gelukkig dat het met een glaasje wijn al snel weer oké is. Toch weet hij dat, als Ria eenmaal boos is, zij haar mond stijf dicht houdt voor wel een maand. Nou ja, zeker 14 dagen dan. ‘Dan maar even uit varen’, grapt Theo. Op haar beurt noemt Ria Theo overheersend. Het valt even stil. ‘Maar ik ben ook een optimist’, brengt Theo hier tegenin: ‘Alles mag en ik weet altijd alles op te lossen.’ Dat weegt weer op tegen wat depressiviteit bij Ria. Maar last van humor hebben ze gelukkig allebei. En zo brengen zij de dag door, samen op het land.

En zo vliegt de tijd. De tijd die wel sneller lijkt te gaan als je het werken achter je laat, je zelf wat ouder, misschien wat langzamer wordt. De dagen zijn meer van hetzelfde, wat de tijd ook harder doet gaan.

Als het ritme verandert, bijvoorbeeld op een verjaardag of met een vaartochtje, dan duren de dagen lekker langer. Het leven zelf lijkt ook sneller te gaan, de mensen hebben meer haast en zijn meer op zichzelf. En daar waar je vroeger op vertrouwen een klus aannam en betaald kreeg, moet je nu als een malle mailen en alles in contracten vastleggen. In Brussel verzinnen ze allemaal nieuwe regels voor het varen, het vissen. En ondertussen is er een hoop gebeurd, zijn er veel verhalen te vertellen, weet Theo.

Gelukkig zijn de regels voor ondersteuning van Ria goed te doen en zijn ze tevreden over het werk van het sociaal wijkteam: de verpleging, hulp bij het huishouden, een aangepaste stoel voor zo’n € 20. Het maakt het mogelijk om zelfstandig te blijven wonen. Vroeger ging je met 65 jaar het verzorgingstehuis is, maar dit is beter, want 80 is nog gerust niet oud. Als we vragen naar de gezondheid van Ria vertelt ze dat ze haar been sinds lang niet kan bewegen, er geen gevoel in heeft. Ze kan er niet op staan en daardoor ook niet mee lopen. En is, ook hierdoor, zwaarder geworden, wat het lopen nog verder bemoeilijkt. ‘Je zit al 30 jaar op je kont’, weet Theo in te brengen, ‘je mankeert helemaal niks. Bewegen moet je’. ‘Ach, ik ben 80, het zal mijn tijd wel duren’ reageert Ria. Het huis is haar veilige haven.

Of ze nog wensen hebben voor hun buurtje? De stoep blijkt helemaal platgereden, omdat de boel elders op de schop gaat, straten dichtgaan en alle verkeer, ook het zwaardere werk, nu hier langs komt. Als ze niet uitkijkt, rolt Ria zomaar om met de rolstoel. Hoogste tijd dus om de straat op te knappen, te egaliseren. De levendigheid, gezelligheid is al eerder verdwenen. Het straatje gaat nog wel, maar de buurt eromheen is (te) rustig; winkels zijn vertrokken, oude bekenden verhuisd of overleden. In het 3e huis van rechts, aan de overkant, vertelt Ria, woont een aardige vrouw, ook al op leeftijd. Als zij in de deuropening zit ziet ze haar altijd op de fiets stappen, en zwaait. Map heet ze. Ria heeft haar nu al een tijd niet gezien en heeft geen idee waar ze is, of er iets met haar gebeurd is. Dat is wel tekenend voor het buurtje anno 2025.

Een blozend en blij ei, met een stevige rugzak

Nel staat ons al monter in de hal van Pennemes op te wachten. Ze is al langer op hoor, om 8 uur is zij gewoon om de kippen te voeren. En ja, de kippen waren er echt eerder dan zij. Als eieren gekomen en onder de lamp uitgebroed en grootgebracht. En er was ooit een haan, maar die is weg; hij maakte te veel bewoners te vroeg wakker. De suggestie van Nel om je dan gewoon nog eens lekker om te draaien vond geen gehoor.

Sinds de meneer die de kippen voerde is overleden, hebben ze haar gevraagd om die taak op zich te nemen. En dit doet ze met liefde. Wederzijds overigens; de kippen weten haar ook goed te vinden. Henk ‘doet’ de kippen boven, op het dakterras en gaat ook met de kippen naar de dierenarts als ze wat mankeren. Zij voert de kippen beneden als enige en groet ze elke morgen met een ‘Goeiedag, daar ben ik weer’. Ze is ervan overtuigd dat de kippen haar herkennen; ze lopen al tokkelend gezellig en gelijk achter haar aan. ‘Het is echt leuk werk; je ziet dat ze blij zijn’ zegt ze. De kippen hebben een goed leven en gaan zeker niet de pan in, giechelt Nel. De eieren geeft ze weg, want zelf houdt ze daar niet van.

Nel is een rasechte Zaankanter. Geboren en getogen in de Belgische straat, achter de Oostzijde. Ze was nummer zes in een katholiek gezin met elf kinderen. Er was niks te kiezen: Nel ging naar de huishoudschool: de Sankta Mariaschool. Daar leerde ze naaien en meer. Dit bleek uitermate nuttig, toen zij zelf kinderen kreeg. Zo heeft ze stoere spijkerjackjes gemaakt, waarmee ze veel complimenten (en verzoeken) oogstte. Zij heeft eerst in de kledingzaak De Wit gewerkt aan de Gedempte Gracht. In de huiskamer, achter de winkel, naaide ze kleding op maat van de klanten. Daarna werkte Nel bij een groentezaak Zomerboer. Op haar 22e is zij getrouwd en is zij in de meubelzaak van haar man: Van Sombroek aan de Oostzijde gaan werken. Zij was er stoffeerder, maar heeft ook wel de verkoop en het transport gedaan.

Nu, na een kleine omzwerving, woont Nel al weer tien jaar hier, aan de Bloemgracht. Op zich dichtbij haar vorige huis, maar wel echt in een ander buurtje. De Oostzijde, dat was vroeger allemaal industrie. Het gezin van Nel had welgeteld vier buren in de wijde omgeving. Wel was er de school: de Sankta Maria dus, voor de meisjes en de Jozefschool, voor de jongens. En een speeltuin. En ‘daarachter’’ was natuurlijk ook wel het een en ander. Tegenwoordig komt ze niet veel meer buiten, ook voor de boodschapjes kan ze ‘binnen’ blijven; er is een winkeltje in Pennemes. En ze zwemt natuurlijk nog elke week, in De Slag. We mogen trouwens gewoon Nel zeggen, hoor, zegt ze blakend en blozend, negentig levensjaren jong. In de ochtend is een oudere dame overleden en diezelfde middag is zij in dit appartement getrokken. Het heeft een grote tuin, waar ze graag zit en lekker niks aan hoeft te doen. Ze voelde zich gelijk thuis en is ondertussen goed geaard.

De meeste mensen ‘in huis’ zijn nogal op zichzelf. En Nel, die vermaakt zichzelf wel. Er is ook altijd van alles te doen, zoals spelletjes en handwerken, alhoewel ze dat niet veel meer doet; dat is geweest. Ze eet wel graag mee met ‘het huis’. Alhoewel het voor haar ook wel even wennen is: tussen de middag warm eten. Voor haarzelf is Pennemes ook groot genoeg; ze heeft weinig tot geen contact in de wijk. Ze kent natuurlijk wel veel mensen, uit haar omgeving, haar geschiedenis. Buurtbewoners mogen gezellig meedoen met lunch of activiteiten, zoals de bingo, maar hier wordt weinig gebruik van gemaakt. Soms komen ze voor een bakkie. Wel zijn er heel veel vrijwilligers. ‘Zonder de vrijwilligers draaien de huizen niet’, weet Nel.

Ze zijn er natuurlijk niet elke dag, de hele dag, maar nemen je graag eens mee uit wandelen.

‘Ik ben nog vrij goed hoor’, zegt Nel als we haar vragen hoe ze hier zo terecht is gekomen: ‘Het komt door omstandigheden.’ Mogen we vragen naar de omstandigheden? ‘Tuurlijk, ik ben tien jaar geleden op straat geschopt, door mijn ex. Hij was aan de drank en ik wilde zo niet verder. Hij heeft me d’r uit gegooid, de deur achter me dicht gedaan. Daar stond ik, zonder sleutel, zonder mobiel. Om elf uur ’s avonds heb ik bij mijn zoon aangebeld, aan de Westzijde, tegenover de Bullekerk, en ben daar een paar weken gebleven. De ex heeft nog een aantal pogingen gewaagd om Nel terug te krijgen, maar wat Nel betreft was het genoeg; ‘Nou is het over.’ Ze kende haar pappenheimer; ook zijn ex-vrouw heeft hij vaak uit huis gezet & teruggehaald. Binnen 14 dagen kon Nel hier, bij Pennemes, terecht. Van haar zoon mocht ze bij hem blijven wonen, maar dat leek Nel helemaal geen gezond idee. En nu woont ze dus al tien jaar hier, in een erg mooi appartementje, beneden!

Twee dochters van 65 en 55 jaar en een zoon heeft Nel; ze wonen in Krommenie en Wormerveer. En zoonlief dus in Zaandam. Nel vertelt dat hij er één van een tweeling is. Zijn broer is op zijn vijftigste overleden. De blik van Nel lijkt zich wat naar binnen te keren, maar ze vertelt dapper door. Hij is door suïcide om het leven gekomen. Net als zijn vader, de 1e man van Nel, op zijn 49e, na 25 jaar huwelijk. ‘Een zware rugzak’, noemt Nel dit. Zij bleef alleen achter met vier kinderen. Zij kreeg een uitkering, ook voor de kinderen. En door het verdriet te delen kent het gezin een grote gehechtheid.

Haar zoon zei nog, in een gesprek over de dood van zijn vader: ‘Dit zou ik nooit doen, nooit durven.’ Maar ergens was Nel er al wel bang voor, beducht op. Het voelde niet goed toen ze hem belde, nu alweer 15 jaar geleden, en hij maar niet opnam. Ze heeft de politie gebeld, is er naar toe gegaan; ze hebben hem gevonden in de schuur. Ook nu hebben ze er in het gezin veel over kunnen spreken. En haar zoon komt zeer geregeld bij haar op bezoek, tot de dag van vandaag. ‘Ik denk veel aan Ronald’, vertelde ze hem, waarop hij antwoordde: ‘Dat is goed mam, het is verwerken.’

De oudste dochter van Nel is een DES dochter. Om zwanger te raken heeft Nel medicatie genomen; maar dit had als consequentie dat haar dochter niet vruchtbaar is en dus geen kinderen heeft (kunnen krijgen). De dochter neemt het haar moeder niet kwalijk, zei: ‘Ik had het zelf ook zo gedaan.’ De kinderen van haar overleden zoon wonen ver weg en ziet ze helaas niet. Hun moeder had blijkbaar schulden, zat in de schuldsanering. De kinderen zouden hebben gezegd: ‘Oma, u bestaat niet voor ons.’ De dochter van Nel uit Purmerend (??) is gister nog met haar dochter langs geweest; de kleindochter van Nel is tot over haar oren verliefd.

‘Het gaat goed hoor’, zegt Nel monter: ‘Het kan zo veel slechter.’ Nel heeft Parkinson en ook artrose in haar handen en haar nek. Ze houdt met haar hand de andere hand in een brace vast, als om te verhullen dat ze pijn heeft, misschien wel trilt. Vandaar ook het zwemmen, anders gaat alles maar vastzitten. Kwartiertje vrij zwemmen en dan les in het water, een soort aerobics. Van kleins af aan is ze dol op zwemmen en ze heeft al vroeg haar A en B diploma gehaald. ‘In zo’n grote band, weet je wel?’ herinnert zij zich. Het moet wat haar betreft ook wel, in zo’n waterrijk gebied. Haar oudste dochter moet niets van water hebben, maar haar 2e dochter ging al snel zelf op haar stepje naar het zwembad. En haar twee zonen gingen ’s morgens samen op pad.

‘We zijn nu nog met z’n tweeën, van de elf kinderen’, vertelt Nel. Haar oudste zus woonde in Mennistenerf, tot haar overlijden vier jaar terug. Ze gingen vaak bij elkaar op bezoek; het voelt nu als enorme leegte. En haar broer woonde notabene ook hier, hier tegenover. Bij zwaaien was er tijd voor een bakkie koffie. En elke zondag dronken ze een ‘citroentje’ samen. De zoon van Nel heeft trouwens nog zo’n anderhalf jaar bij haar gewoond, in haar ‘extra kamer’.

Dit kwam zo uit, in verband met zijn darmziekte: de ziekte van Crohn. Hij bezoekt haar als gezegd nog regelmatig. En de dochter van haar ex-man, uit Purmerend, is twee weken terug nog langs geweest, met ook haar dochter.

Toen er aan de overkant werd gewerkt aan een appartement in het huis was haar nieuwsgierigheid gewekt; Nel ging eens een kijkje nemen. En zo heeft ze kennisgemaakt en is heel dichtbij een nieuwe vriendschap ontstaan. Met haar vriendin drinkt ze twee keer per week een wijntje: één keer bij haar en de andere keer bij haar vriendin.

Al met al is Nel dik tevreden; ze heeft een mooi huisje, waar ze zelfstandig, met wat Wmo hulp, kan wonen. De verpleging en alle vrijwilligers zijn aardig en er zijn veel voorzieningen en activiteiten dichtbij. En vooral: een heerlijke grote tuin. Ze loopt dan wel wat slechter, maar ze kan nog fietsen, bijvoorbeeld naar het zwembad. En met de scootmobiel kan ze straks in de zomer vast weer het park in. ‘Het kan zoveel slechter’, vindt Nel. ‘Ik ben een gemakkelijk mens, erg gemakkelijk. Nooit chagrijnig. En zelfstandig, misschien door schade en schande, maar toch!’

Langs de beestenboel en dan het dak op; een gesprek met Henk en zoon Jeroen

Henk noemt zichzelf graag ‘native American’. Hij wijst op zijn kleurrijke schoenen: zelf ontworpen en laten maken. En zijn kettingen: ook zelf getekend! Ooit is hij met een boek over native Americans terecht gekomen in de bibliotheek, wat hem zoveel meer aansprak dan de voordehand liggende boeken over Winnetou en Arendsoog. Dit voelde ‘eigen’, dit was zijn identiteit.

Hij draagt en uit het met grote charme. Henk is hier ooit als rasechte Amsterdammer terechtgekomen omdat hij voor Bruynzeel werkte en van hen ook een huis kon betrekken, samen met zijn vrouw. Jeroen is hun enige kind. Nu alweer zeven jaar verzorgt hij de kippen (boven) en de konijnen van Pennemes…

Jeroen wijkt al vier jaar lang niet van de zijde van Henk. Hij helpt maar wat graag mee met de verzorging van de vogels, de kippen en konijnen. Hij verschoont de hokken, hij ververst het water in de bakken. Eerst de beestenboel boven, dan beneden. En vervolgens de rest van de tuin; gaandeweg leert hij steeds beter met ook de bomen, struiken en planten om te gaan. Vaak is hij alleen aan het werk, maar op maandag werkt Gea ook en nu op woensdag is Bianca er. Die werkt keihard, maar liefst alleen.

Hij heeft altijd met dieren willen werken. Hij zat bij de ‘Blijde Ruiters’, maar is een keer flink van een paard gevallen. Hup, er weer op, want anders word je bang. Maar het paardrijden is er toch wel een beetje bij ingeschoten.

De afgelopen weken was het behoorlijk slecht weer en heeft Jeroen minder gewerkt. Maar dit kwam ook door een talgklierontsteking, vertelt hij. Hij zat even in de Ziektewet, ook om wat minder druk te worden in zijn hoofd, maar is met verse moed weer begonnen deze week.

Als ik vraag naar zijn trui, vertelt hij trots dat hij ooit is begonnen te werken bij Ranzijn. Daarna bij een hovenier en tenslotte dus bij ‘De Ruiters’. Daar is hij schijnbaar weggestuurd, na een menings-verschil dat uitmondde in een gevecht.

‘Wat zeg je?’ vraagt Jeroen. ‘Ach, ik zit wat in me eige te lullen’, zegt z’n vader. ‘Tsja, die zegt niks terug’ weet Jeroen.

Jeroen woont zelfstandig, met begeleiding van Odion. Jeroen raakt helemaal op dreef als de Brandweer te sprake komt. Hij is echt gek op alles wat met de Brandweer te maken heeft. ‘Maar’, zo zegt hij wijs: ‘Ik wil natuurlijk niet in de weg lopen.’

Henk neemt ons mee naar boven, naar de daktuin (die we stiekem al even hebben gezien, samen met Nel). Hij wijst ons onderweg op de strook groen langs Pennemes: ‘Van de gemeente en dat kun je wel zien. Niemand kijkt er naar om, ze denken niet na en doen maar wat. Het ziet er niet uit.’ Henk coördineert, samen met Jacob Passander, de fraai ontworpen daktuin. De poster met logo’s van diverse instanties zegt hem helemaal niks, die zullen ooit wel eens wat geld gelapt hebben, maar daar hoor je niks meer van, volgens Henk.

De bewoners helpen wel met de tuin, ieder op z’n eigen manier en tempo. Er wordt, vooral in de zomer, ook wel geknutseld aan de grote tafel, parasolletjes erboven, gezellig. Soms nemen ze wat kruiden mee. Maar eten doen ze hier natuurlijk gezamenlijk. Soms komen er ook kinderen op bezoek, die ‘helpen’ graag mee. Henk laat ns de bijzondere kippen zien en vertelt over die ene duif die even weg was, maar weer terug op het honk. We zien hem wat ineengedoken, maar toch, onderaan het trappetje. De kippen vinden het allemaal helemaal prima.

De opstelling doet Henk een beetje denken aan de kleuterschool. De bewoners vinden het allemaal heel leuk. En gezellig, met en kopje koffie erbij, wat knutselen en kleien. Soms ook teken- of schilderles; de resultaten vind je verspreid door het huis. En eens in de zoveel tijd organiseren ze ook een vergadering, zodat allerlei ideeën kunnen worden ingebracht en besproken. Voor Henk en consorten is er is altijd wel wat te doen, wat op te knappen, aan te vullen of te verbeteren. Op de nominatie staat in ieder geval een heus kabouterpad. Het voegt allemaal goed, het doet goed, maar soms wordt het ook wat veel voor Henk.

Ooit was het trouwens de daktuin, met al het groen maar ook de beestenboel, een mooie plek voor dagbesteding. Maar toen kwam de Covid periode en is alles stilgevallen. Nu starten ze hier voorzichtig opnieuw met activiteiten. Het vormt een goede basis: leren kijken, hoofd leegmaken en gewoon lekker doen. Goed voor lijf & hersens, volgens Henk. 

Ambitie van Henk is groter dan deze ene daktuin; hij wil vooral méér daktuinen in Zaandam. Ook bijvoorbeeld op het Zaans Medisch Centrum! Het is goed voor het milieu, maar ook goed voor de gezondheid en: genezing! Henk denkt graag mee over alle vormgeving, ook in de buurt. Zelf woont hij met zijn vrouw in Noorderven, op zes hoog. Alles lekker vlakbij en mooi op orde. ‘Maak anderen maar niet te jaloers’, zegt zijn vrouw wel eens tegen Henk.

Henk & Jeroen gaan beide graag op de foto en zijn reuze benieuwd naar het resultaat. We zien samen twee stoere mannen met een lieve blik, met toch ook een wat sombere ondertoon. De schoenen van Henk gaan natuurlijk even apart en in detail op de foto. En vooruit, dan gaan ze toch ook nog even samen op de foto, voor ‘moeders’ thuis. Voorzichtig maar tegelijk vertrouwd legt Jeroen een hand op de sterke schouders van zijn vader. ‘We doen het goed samen’, zegt Henk: ‘Maar soms wil ik hem wel achter het behang plakken, hoor!’ Wat hem een semi verontwaardigde blik van zijn zoon oplevert ; )

De Takstraat als thuisbasis… voor dochters én voor verre reizen

We zijn al gespot, moeten de fietsen echt gewoon in de voortuin zetten en worden vervolgens hartelijk ontvangen. Er wacht ons een enorme taart want, zo blijkt, Rob en Lize zijn uitgerekend vandaag maar liefst 50 jaar getrouwd. Met dank aan onze eigen burgemeester én Buter. Er zullen tijdens ons gesprek nog vele bloemrijke felicitaties langskomen.

De poes, een oudje al, kijkt op gepaste afstand toe, doof en met staar, maar o zo lief. Rob is een oude Walvisvaarder; hij heeft er in de jaren ’50 zo’n tien jaar gewoond. Geboren aan het Kauwerspad in 1947; in een huis nog met een tonnetje. Elke week reed de gemeenteauto de straat in om de tonnen om te wisselen. En verderop woonde nog een kennis met een heus huisje aan de sloot. Lize vertelt dat de Zaanse Carry van Bruggen hier nog over heeft geschreven. Van het Kauwerspad verhuisd naar de Peperhoek, maar dat bestaat niet meer. Je weet wel, bij café Spitsbergen, bij de Beatrixbrug? Rob ging er naar de lagere school: de Rembrandschool. En eenmaal met het gezin verkast naar de Walvis-vaardersbuurt ging hij naar de Albert Schweitzerschool. De Walvis-vaardersbuurt was in die tijd een echte arbeidersbuurt. Rob vond het er maar wat stinken, maar nu zou hij het, denkt ’ie een lekkere geur noemen. Er waren veel gezinnen uit Indonesië, wel vijf tot zes.

Er was altijd veel en leuk contact met alle kinderen uit de buurt.

Alle kleurtjes waren gewoon vanzelfsprekend. Dat is ook de ervaring van Rob en Lize in Pharus; ze woonden er fijn, met mensen van diverse achter-grond, Turks ‘hoe heette dat gezin ook alweer, met al die leuke meiden en die ene die aan cabaret doet? Funda!’), Koerdisch. Allemaal even leuk. En Lize is een roodharige, dus ook niet doorsnee. ‘Je helpt elkaar.’

Rob, armen nog steeds gemoedelijk over elkaar, op zijn buik, neemt ons mee in zijn herinnering aan 1963. Een echte strenge winter, overal ijs. Het is in dat jaar dat zijn broer door het ijs is gezakt. Hij is nog weer bovengekomen, naar het ziekenhuis gebracht. Maar zijn longen zaten vol met vuil, van alle industrie langs de Zaan, en zijn longen zijn geknapt. Hij was vijftien, zijn broertje is tien jaar geworden. Het grijpt hem nog steeds aan …

Het gezin is verhuisd naar de Frans Halstraat. Omdat zijn vader conciërge was bij de Juliana van Stolbergschool, kregen zij een woning bij de school. Toen hij zeventien was, kreeg hij er een broertje bij. Het broertje werd heel erg beschermd opgevoed. En dat had zo zijn weerslag op het gezin, op Rob. Zo werd het broertje wel vastgezet aan pin en touw, als een geit, memoreert Lize, omdat er een grote vijver achter de school was. Maar het lot sloeg opnieuw toe. Zijn broer, toen twintig, werd op de fiets geschept. Hij had een ernstige hersenkneuzing en heeft tien dagen in coma gelegen. Omdat het een sportieve jongen was, hij deed bijvoorbeeld aan breakdancing, is hij ‘goed gevallen’ en heeft hij zich terug geknokt. Maar hij heeft een jaar verloren met revalideren, stabiliseren en echt alles opnieuw moeten leren. Hij heeft nog een kort lontje, vertelt Rob, en af en toe slaakt hij een oerkreet.

Zijn moeder heeft alle verlies moeilijk kunnen verwerken. Bij het ongeluk van het 2e broertje van Rob heeft zij gezegd dat zij dit niet nog eens wilde meemaken en dat het (zo) haar kind niet meer is. Het heeft een enorme impact gehad. En hulp was er in die tijd niet echt, je moest door. ‘Nooit meer onbekommerd’, noemt Lize de gemoedstoestand van Rob zijn moeder. ‘Ze was liever boos dan verdrietig en vooral achterdochtig.’

Ook bij Rob heeft het littekens achtergelaten; zijn broertje verloren toen hij 15 was, een broertje erbij toen hij 17 was, vervolgens in dienst en dan het ongeluk van zijn 2e broertje toen hij achter in de dertig was. Het verbaast Rob zelf dat het hem zo emotioneert; maar hij vertelt er dan ook niet vaak over. Lize is de prater van de twee. ‘Gaat het?’, vraagt ze en strijkt over zijn been. ‘Samen zijn we er doorheen gekomen.’ Nu nog denkt Rob bij het horen van Politie of Brandweer: dat is narigheid. Een heftige reactie, nog na zoveel jaren. Of hij nog wel eens terugdenkt aan de Walvisvaarders-buurt? Dat niet bewust, zegt Rob, maar in de jaren zeventig, bij de Post (waarover later meer), kwam hij er wel en dan schoot het toch altijd door zijn hoofd. Dat is nu wel minder geworden, alhoewel hij er altijd aan denkt als hij langs de Walvisvaardersbuurt komt.

Zijn vader heeft leukemie gekregen. Maar echte zorgen heeft Rob niet om of voor zijn ouders gehad. Natuurlijk waren zij op feestdagen en dergelijke altijd daar. De zorg kwam pas later, voor zijn moeder die 93 is geworden; Rob was net met pensioen. Levenslust was niet het goede woord voor haar, maar levenswil had ze wel volgens Rob.

Ze fietste nog naar de Hemkade, boten kijken. Ondanks haar eerdere borstkanker en versleten heupen.

Rob heeft, eenmaal in de Takstraat, nooit meer willen verhuizen. Hij is net even anders dan anderen, zegt Lize, maar komt altijd goed terecht. De 1e negen jaar van hun huwelijk – zij 20, hij 25 – hebben ze in de redelijk nieuwe wijk Pharus gewoond; ’t Kalf was ook een optie, maar dat vond Rob te ver. Toen raakte Lize door haar werk bij woningcorporatie ZVH bekend met dit wijkje, deze huizen. Het was best een prestigeproject. De woningen zagen er van buiten goed uit. Er waren drie afzeggingen voor deze woning; het was best duur, vrij klein en onhandig ingericht, met een kleine tuin. En toen waren zij plots de 1e bewoners, in 1982 was dat, dus nu alweer 41 jaar geleden.

De meeste mensen wonen hier al echt heel lang. Pluspunt voor Rob is de ligging; vlak bij de stad, het Zaantheater. Zo’n 7 tot 8 jaar geleden, Rob was net met pensioen, werden de woningen te koop aangeboden. Maar Rob en Lize zijn blijven huren. Want er moet altijd alle ruimte zijn om lekker uitstapjes te maken, langer op reis te gaan, vindt Rob. Door de nieuwe huurwet, krijgen ze nu voor het eerst te maken met een kleine huurverhoging. Eerder was dit niet het geval, als je AOW’er was.

Rob en Lize hebben elkaar ontmoet bij Dam 8, een in die tijd wat sjiekere disco.

‘Rob was wel een mooie jongen, hoor’, giechelt Lize, waarop wij in koor roepen: ‘Nou nog steeds, hoor’. Wat weer beaamd wordt door Lize: ‘en nog zonder bril.’ Wat eerder had Rob een nicht van Lize ontmoet op Dam 8 en haar naar huis gebracht. Toen Rob met een gebroken been thuis zat, is Lize met haar nicht mee geweest op ziekenbezoek. Eenmaal weer op twee benen toog Rob opnieuw naar de disco op Dam 8. Tijdens een verjaardag, de nicht werd volgens Lize wat handtastelijk, bleek dat Rob z’n zinnen had gezet op Lize. De nicht is gelukkig nog goed terecht gekomen; getrouwd met de zoon van de melkboer (beide korfballers).

Lize vertelt dat zij een 2e graads bevoegdheid Nederlands heeft. Lize zit vol met oude spreekwoorden en eigenwijze weetjes. ‘Als je veel vergeet, heb je een leuke oude dag’, bijvoorbeeld. Ze heeft trouwens nooit lesgegeven. Ze is jong getrouwd, met Rob, en samen hebben ze snel kinderen gekregen. Het was in die tijd maar moeilijk om een baan te vinden en ook te houden, naast je gezin; er was ook geen kinderopvang zoals nu. En niet te vergeten: het was crisis; er kwamen zo 50 sollicitanten op een baantje in het onderwijs af. ’s Avonds heeft ze bijgeleerd, MOa aan het Nutsseminarium. Ze heeft vooral kantoorwerk gedaan.

Nog op Pharus zijn de twee dochters van Rob en Lize geboren, de oudste in ’76 en de jongste in ’79. Het verhuizen naar de Takstraat was een buitenkans. Vooral voor de twee dochters die zo helemaal zelfstandig konden worden, iets wat schier onmogelijk was op de flat. Al die eerste zomer gingen ze al heerlijk zelfstandig naar buiten. Er is volgens Rob een goed contact met de buren; ze hebben hen ook plechtig moeten beloven om nooit meer weg te gaan. Er zijn nauwelijks wisselingen, ook al is de buurt in transformatie[1]. Hij vindt buren ongelooflijk belangrijk. Soms niet veel meer dan de post en de planten of dieren verzorgen bij afwezigheid, een beetje kleine praat heen & weer. Maar de basis is goed. En er zijn ook geen ergernissen. Ondanks de contrabas aan de ene en een piano aan de andere kant van de muur. ‘We kennen alle buren, tot aan het plantsoentje dan’, bekent Lize.

Aan de overkant woont oude sportvriend Piet, nog uit de Walvisvaardersbuurt. Hij is een bekend voetballer, voetbaltrainer ook. Hij heeft zelfs een boekje uitgegeven. Iets waar je volgens Lize anderen niet mee lastig moet vallen. Maar Rob vindt het leuk. Hij staat ook in het boekje, laat hij wat schuchter zien. Piet vertelt altijd veel over vroeger.

Lize veert overeind om een fotoalbum te pakken, helemaal gewijd aan Rob. Rob was een begenadigd voetballer; alle prestaties zijn vastgelegd en gebundeld. We zien een krantenartikel over de oplevering van de woningen in de Takstraat en vervolgens verschillende sporten; van voetbal bij ZVV, waar hij na de zoveelste blessure mee gestopt is, tot marathons en zelfs een triatlon: lopen, langlaufen en schaatsen.

Het sporten heeft hij helaas niet kunnen doorgeven aan zijn dochters, maar gelukkig het reizen wel. Zelf sport hij ook niet meer. ‘Wat je wel kunt zien aan mijn postuur’, merkt Rob schamper op. Maar nu fietst hij veel, zo’n 40 à 50 kilometer. De boekenkast achter hem geeft een mooie indruk van alle reizen die hij, veelal met de fiets, gemaakt heeft de afgelopen jaren: veel langs rivieren, in Duitsland bijvoorbeeld. Maar ook veel in Azië; hij is zelf zes keer naar China geweest. Chinezen zijn aardig, zegt hij, maar soms ook wat ongemanierd. Zijn 1e indruk toen hij voor het eerst in Peking was, was: alsof hij terug was in de jaren ’50. Rob vertelt dat hij een stent heeft in zijn hart. Toen hij eens op 4 kilometer hoogte was, op de grens van Tibet, voelde hij zich angstig worden en heeft hij 1.000 meter ‘lager’ de route vervolgd.

Lize is echt van het entertainen. Tegenwoordig probeert ze wat meer ‘los te laten’. Elke ochtend denkt ze bij het opstaan: ‘Ik kan alles nog, met dat vintage lijf van me’. Rob niet. Die denkt vooral: ‘Wat staat er vandaag op ons te wachten, wat zullen we eens gaan ondernemen?’ Samen zijn ze nog heel actief. Gaan ze bijvoorbeeld mooie tuinen bekijken. Ze zijn net terug van een ‘vrij reizen weekend’, via Harderwijk naar Assen en Veenhuizen. En volgend weekend gaan ze naar de Vennbahn. Ze willen zo lang mogelijk leuke dingen blijven doen. Want op veel dingen kun je toch geen invloed uitoefenen, zoals de oorlog nu; dat kun je beter even parkeren, vindt Lize. Lekker het geld opmaken. ‘En waar voor je geld krijgen’, roept Rob. Want niks is leuker dan nieuwe plekken ontdekken, omdat je voor minder geld twee overstapjes moet maken, zoals zij hebben ervaren op weg naar Bangkok, in Teheran. Zo’n andere wereld; we vinden elkaar van beide kanten gek. En het maakt tegelijkertijd dat je je in elkaar kunt verplaatsen.

Lize vertelt over hun jongste dochter Iris, die op haar 15e het huis uit wilde, niet bij haar wilde zijn. Zij ging wonen bij een vriendinnetje, wiens ouders haar pleegouders werden. Na een half jaar kwam ze terug om vervolgens beschermd te gaan wonen. Dat leverde echt heftige verhalen op. Haar eerste vriend Sander heeft haar weer bij hen teruggebracht. Een man met uitdagingen, noemt Lize hem. Hij heeft trauma’s opgelopen door uitzending naar Nigeria, Kosovo. En dochter Iris was nog te jong, nog maar 18 jaar. Op haar dertigste is ze een jaar terug naar Rob en Lize gekomen. Om vervolgens met Ronald naar Kogerveld te verhuizen. ‘Iets moet stabiel blijven’, merkt Rob op, ‘daarom zijn we hier blijven wonen’.

Rob moest in dienst, van zijn vader. Deze had ondergedoken gezeten in de oorlog en voor hem was het onbespreekbaar om dienst te weigeren of vervangende dienstplicht te doen. Na zijn diensttijd van anderhalf jaar is hij bij ‘de posterijen’ gaan werken. Lize noemt de vakantiehuizen voor de werknemers van de post. Daar heeft Rob veertig jaar gewerkt, op de kleinere, maar later ook op het grote postkantoor. Goede directeur boven hem. Hij heeft er echt een leuke tijd gehad. Hij herinnert zich een telegram, dat was zo in die tijd, bij de geboorte van hun eerste dochter. Wel werd enige navraag gedaan: of hij De Waarheid las (‘Welke waarheid?’, grapt Rob); want het was in die tijd natuurlijk wel een overheidsinstelling. Overigens is het drie keer, tot zijn pensioen, van naam veranderd: van PTT, naar KPN en nu weer Post NL.

Hij heeft vooral de vrijheid gewaardeerd; hij kreeg een pakket werk, dat hij vrij in tijd kon indelen en kon afmaken. De arbeidsvoor-waarden waren best goed, hij verdiende redelijk, met de nodige toeslagen voor de weekends. ‘Alles marcheerde’ en het gezinsleven plooide zich. ‘We hebben het maar goed’, vindt Lize. En: ‘Nooit verder gaan dan je polsstokhoog is.’ Het ligt volgens haar uiteindelijk allemaal aan de keuzes die je maakt. ‘Het is gewoon leuk om wat te woekeren. En met Lola hebben we altijd weer iemand die blij is als je thuiskomt.’

De fotograaf heeft Rob zo tijdens het gesprek geobserveerd. Hij ziet Rob zo wel zitten, in deze houding. Rustig, zelfs wat ingetogen, handen gevouwen over de buik. ‘Je mag ademen’, geeft hij Rob nog mee. ‘Dat het me nu allemaal toch weer zo raakt’, zegt hij, terwijl hij zijn rug recht en de adem stiekem toch weer een beetje inhoudt. ‘Het is een stukje van mijn levensloop, mijn geschiedenis.’ ‘Het gaat nooit meer weg’, vult Lize hem aan.

‘Kennen jullie het verhaal van de Bullekerk?’, vraagt Rob. Een zwangere vrouw wordt voor de kerk op de horens genomen door een stier. Haar buik wordt opengereten en het kindje geboren. De voormalige Westzijdekerk heet vanaf dat moment de Bullekerk, met ’n standbeeld van een stier op het plein en al. En als we toch mooie herinneringen ophalen, weet Rob nog te vertellen dat hij ook tegenover Freek de Jonge heeft gewoond (nee, hij heeft niet met hem gevoetbald; Freek is wat ouder …). De leukste herinnering aan de tijd in de Walvisvaardersbuurt is het voetballen met Pietje, je weet wel van het boekje, op het speelplein en bij de Vijfhoek.

Lize heeft volgens de fotograaf een andere energie (David: ‘Ik kan de batterij van mijn camera opladen aan jouw energie’); hij ziet haar het liefst staand. Maar ja, Lize heeft twee kunstheupen, dus wil het liefste zitten. Wat er als kop boven dit artikel met komen te staan? Lize: ‘een lach en een traan’. Of: ‘lief & leed’. Misschien wel gewoon: ‘soberheid’. Want daar zijn ze wel van. Lize vertelt nog langs haar neus weg dat ze al hoopte op een mooie foto, voor als Rob doodgaat. Een eerste blik op haar eigen foto’s stemt haar tevreden, alhoewel ze ook iets venijnigs bij zichzelf ziet. Overigens is Rob een fervent muziekliefhebber en ook elpee verzamelaar. Zijn T-shirt verraadt zijn favoriete concert: Bruce Springsteen in 1999. Niet Rob zijn laatste concert van hem – dat was nog maar drie weken terug, vertelt hij glunderend – maar dat T-shirt zit in de was…

We ontmoeten Lize nogmaals in de koffiehoek van de Dekamarkt. Het duurt even voor ze bij onze tafel belandt; ze kent veel mensen en vraagt belang-stellend hoe het iedereen vergaat. Eenmaal aan onze tafel beland vertelt ze honderduit over nieuwe ontmoetingen en ontwikkelingen, zoals de wildpluk-wandeling. Maar eerst even terug naar haar idee om portretten te maken van haar buurtje in beweging. En dan ruimte voor haar persoonlijk verhaal, over vroeger en over het hier & nu in de Talmabuurt. De rode draad: leergierigheid.

Lize vertelt dat zij is in maart 1953 is geboren, ‘In het rampjaar’. De watersnood was in februari van dat jaar en haar moeder is, in de laatste maanden van haar zwangerschap, angstig en tobberig geweest. Ze dacht weeën te hebben en heeft veiligheid gezocht in het medisch centrum; toen nog een centrum voor bejaarden en bevallingen, maar is weer huiswaarts gestuurd.  Lize is de oudste, heeft een broer Gerrit uit 1955, die onlangs is overleden, en een zus Simone uit 1964; niet gepland, maar wel gewenst. Verwend volgens Rob, maar een lieve zus en uitgegroeid tot een goede vrouw, nu werkzaam in het OLVG.

Lize groeide op in Oostzaan, in de Kerkbuurt. Elke dag kwamen veel kinderen het huis voorbij, op weg naar school. ‘School is vast iets heel leuks, als zoveel kinderen daar naar toe gaan’, heeft Lize gedacht. Ze wilde ongelooflijk graag naar school. Een braaf kind was ze en bovenal nieuwsgierig. Eenmaal op school en drie jaar lang onder de hoede van een ’oude vrijster’, bleek ze snel te kunnen leren en kreeg ze al snel extra taken, zoals handwerken, en tijd om te lezen. Stillezen, noemt Lize het, iets wat beter maar weer ingevoerd kan worden op school. De bibliotheek op school gaf genoeg stof tot lezen. Ze geeft haar liefde voor lezen graag door aan haar kleindochter van acht, die opperbest kan lezen, maar het niet echt leuk vindt. Zo heeft ze een bod gedaan op de hele serie (van 14) ‘dagboek van …’.

De vader van Lize is een echte Oostzaner en heeft altijd in de eierfabriek gewerkt, waar eieren werden verpakt en tot halfproducten verwerkt. Haar moeder komt uit Amsterdam Noord en heeft, na de geboorte van haar zusje, ook in de fabriek gewerkt. Geld was er eigenlijk altijd onvoldoende; juist daardoor is het een belangrijk ding geworden. Als Lize terugkijkt op haar leven is zij tot op zekere hoogte teveel gedreven geweest door geld.

Lize werkt al vanaf haar twaalfde jaar, op zaterdagen en in de vakanties in een particuliere bibliotheek in Oostzaan. Ze was al lid, voor een paar centen per week, en heeft zo’n beetje alles wel gelezen, alle mogelijke genres. En heeft, tegen een mooi bedrag, geholpen met het invullen van de uitleenkaartjes en het terugzetten de boeken. Ze bracht ook wat gezelschap aan de mevrouw, die alleen was overgebleven, tijdens de lunch en het avondeten. Met het verdiende geld kocht ze stoffen om zelf kleren te maken, of eens een paar mooie laarzen te kopen; want de kinderbijslag ging op aan andere dingen.

Met de beste leerlingen van de basisschool ging zij vervolgens naar het Zaans Lyceum. Na een goed rapport, een positief advies, maar ook een heus toelatingsexamen. Het was een nieuwe, grote school met een mavo, havo en vwo en wel 1.000 leerlingen. Met het boekenfonds kon zij de schoolboeken lenen (& kaften). Lize vond het heerlijk om nieuwe dingen te leren en per uur een ander vak, een andere docent te hebben en van lokaal te wisselen. Haar vriendinnen gingen naar de huishoudschool; de Juliana van Stolbergschool. Dit vond Lize maar zonde van hun tijd en hun kwaliteiten. Er werd op het Zaans Lyceum ook denigrerend gedaan over de school. De school waar haar schoonvader conciërge was. ‘Mijn zoon trouwt met een Leguitje’, was zijn overtuiging, waarmee hij doelde op de drie nichtjes van Lize, die daar schoolgingen. Het werd Lize, met de nodige buitenschoolse activiteiten achter de rug en een diploma van het lyceum op zak. En een broer die medicijnen studeerde; een dikke plus. Lize heeft HAVO gedaan, met naar eigen zeggen MMS, of: een echt pretpakket, met veel talen.

Lize was op haar 17e klaar en wilde opgaan voor een opleiding Maatschappelijk Werk, maar werd hiervoor te jong bevonden. Via haar vader, die in de lokale politiek actief was en een groot netwerk had, heeft zij een stage aangeboden gekregen bij de sociale dienst in Amsterdam. Dit heeft ze niet aangenomen, omdat het niets opleverde.  Het werd een functie bij Voorlichting & documentatie van de stichting Bouwnijverheid en vervolgens een administratieve functie bij de Nationale Ombudsman. De niet te stoppen stroom aan correspondentie, die zij van codes en status voorzag, greep haar te veel aan; het bleek te veel en te zware problematiek op te jonge leeftijd. Het werd vervolgens werken voor een reisbureau en een transportbedrijf. De laatste was in de veronderstelling niet meer nummer 1 voor Lize te kunnen zijn, als eenmaal getrouwd.

Want, ondertussen heeft Lize Rob leren kennen. Zijn moeder was fel tegenstander van het ongehuwd samenwonen, dus voor de lieve vrede zijn zij getrouwd, in 1973. Lize heeft het gevoel dat zij het leven moesten leiden dat zijn ouders niet konden; zo moesten de ouders trouwen, toen zij zwanger was.  Ze wilden dolgraag een eigen huis, maar waren maar steeds niet aan de beurt. Juist toen zij een vakantie hadden geregeld naar Roemenië, kregen zij het huis aangeboden aan de Pharus. De vakantie werd van lieverlee hun huwelijksreis en vervolgens hebben zij hier negen jaar gewoond en zijn hun twee dochters hier geboren.

Lize werkte bij woningcorporatie ZVH toen, naar horen zeggen, het paradepaardje van stal werd gehaald: een meesterproef, met jongens van de ambachtsschool in een leerwerktraject, in de Talmabuurt. Lize & Rob kregen een woning toegewezen, waar ze tot op de dag van vandaag heel blij mee zijn. Het is een fijn huis, in een goede buurt, met veel ontmoeting onderling, ook via de kinderen. Lize wilde twintig jaar geleden al wel kopen, om het naar eigen inzichten in te richten. Pas tien jaar geleden werd die mogelijkheid geboden, en dit was voor Rob te laat. Ze willen er al met al niet meer weg, bij leven dan; Lize tussen zes plankjes en Rob in een urn.

Eerder al zijn flats aan de Wibautstraat verduurzaamd. De flats zijn populair, er is veel vraag naar, vanwege de lage huur en de redelijke staat. Alleen niet goed geïsoleerd. In de Talmabuurt is divers bezit; particulier, van ZVH, maar ook van Rochdale. In de straat van Lize en Rob worden alleen de oudere huizen aan de overkant en wat verderop verduurzaamd; met subsidie. En sommigen hebben zelf geïnvesteerd. Het verschilt nogal, afhankelijk van of je het een keer wat op orde wilt brengen of echt duurzaam wil investeren. Allemaal te lezen in de WhatsApp groep, die vaak overstroomt van korte, soms langere berichtjes. Lize en Rob gaan zuinig om met energie: zij hebben de kachel lager gezet en stoken alleen in de woonkamer. Zij gaan zorgvuldig om met kraanwater en douchen minder. Liefste zou Lize centraal willen wonen, waarbij voorzieningen zoals de wasmachine worden gedeeld. Rob denkt daar het zijne van: voelt de verantwoordelijk-heid al op zijn schouders drukken bij het idee.

Als Lize terugkijkt, weet zij zich het meest gevormd door – de schooltijd in – het Zaans Lyceum. Daar kwam zij in aanraking met echte vakleerkrachten, die hun vak verstaan en dit ook willen  overdragen. En ze gingen maar wat vaak op pad, naar musea of theater.

Zij heeft nog steeds een reünie clubje van haar eerste klas, met één van de juffen, waar ze nog jaarlijks mee afspreekt, in Oostzaan.

Vanaf haar 35e heeft Lize gewerkt bij de Postbank. Tot dan toe heeft zij steeds een overstap gemaakt naar een andere werkgever, als het werk of de werkomgeving haar niet langer beviel. Bij de Postbank als grote organisatie veranderde zij dan van afdeling. Desondanks kwam zij op haar 55e, waarschijnlijk door haar kritische houding, terecht in een verbetertraject, met wel 15 verbeterpunten. Zij was er echt boos over, maar heeft zich wel op een aantal punten verbeterd. Het mocht niet baten. Uiteindelijk is ze weggegaan, maar ‘niet met lege handen’. En voelt zij zich gewaardeerd.

Haar broer was psychisch ziek, had psychoses. Dit gooide haar leven overhoop en, omdat het haar bepaald niet onberoerd liet, nam zij het ook wel mee naar haar werk. Ze vertelde veel en dit was misschien wel te veel en te dichtbij voor haar laatste werkgever. Lize heeft veel steun gehad van professionals, zoals de bedrijfsarts. Zelf heeft ze ook deelgenomen aan lotgenoten-groepen. Over het algemeen heeft ze het goed en ook leuk gehad op het werk. Ze heeft kansen gekregen én gegrepen. Nu nog steeds! Wel vindt ze het jammer dat je tegenwoordig niet of nauwelijks meer kunt stapelen van mavo naar havo en verder; het onderwijsstelsel is te beperkt. Zij zelf deed in de avonduren nog een opleiding voor tweedegraads bevoegdheid Nederlands. Vanuit belangstelling en om te – blijven – leren. Ze heeft hier verder niks meer mee gedaan.

Lize heeft Zaandam altijd al foeilelijk gevonden, wilde er eigenlijk niet wonen. Toch geeft de stad meer mogelijkheden om je eigen gang te gaan. In Oostzaan was altijd veel sociale controle. Ze waren geen ‘mainstream’ familie, haar vader politiek actief, haar tante in de prostitutie. Daar werd natuurlijk over gepraat. De Zaanse werkgevers vindt Lize maar buitengewoon gierig en bekrompen, daarom heeft ze altijd in Amsterdam of elders willen werken. Tot ZVH dan, een goede werkgever, met jaarlijkse uitjes.

Lize is nog steeds ondernemend. Ze vindt het leuk om nieuwe kennis op te doen en kennissen te vinden. Met de nodige verbinding op -een brede – belangstelling. En even geen verleden, maar nieuwe verhalen en indrukken. Zoals het wildplukken!

‘Ik lijk op mijn moeder’ roept Lize bij het zien van de foto’s en: ‘Het is oké!’ ‘Ik gelukkig niet’ zegt Rob met een vette knipoog, waarop Lize snedig zegt: ‘Je hebt gelukkig wel haar haar.’